Boekbeschrijving

1934
Andries Blitz, Amsterdam


In het eerste hoofdstuk beschrijft Viruly hoe Plesman hem te verstaan gaf dat het een goed idee zou zijn als er ter gelegenheid van het vijftienjarig jubileum van de eerste KLM-vlucht een boek zou verschijnen.

En als hij het zelf niet helemaal volgeschreven kreeg, moest hij maar zorgen voor anderen om er aan mee te schrijven. Tegenstribbelen had uiteraard geen zin.

Het zal niet helemaal op die manier gegaan zijn, maar feit is wel dat een aantal bekende namen heeft meegewerkt aan het boek.

Zo neemt collega vlieger-schrijver Willem van Veenendaal een hoofdstuk voor zijn rekening, haalt gezagvoerder Beekman enkele herinneringen op aan vluchten met de, vergeleken met de moderne Fokker F XVIII, toch zo verouderde Fokker F III, en beschrijft marconist S. van der Molen het spannende verhaal van zijn vlucht naar de West met de Snip.

Omdat ook de chefs vliegdienst, technische dienst en fotodienst aan het woord komen, geeft het boek een goed beeld van een aantal verschillende aspecten van het toenmalige vliegbedrijf.

Helaas werd het boek onder een minder gelukkig gesternte geboren dan We vlogen naar Indië.

Dit keer geen aanvullend hoofdstuk met het juichende verslag van een geslaagde recordvlucht.
In plaats daarvan moest in het boek worden gemeld dat gezagvoerder Beekman kort na het schrijven van zijn hoofdstuk was omgekomen met de Uiver, tijdens een vlucht die een herhaling had moeten worden van de versnelde Kerstvlucht naar Indië van het jaar daarvoor.

Daarnaast werd een mededeling bij het boek gevoegd, waarin werd gerefereerd aan het verongelukken van de Fokker F XII "Leeuwerik", vlak voor de verschijning van het boek.

Alle inzittenden kwamen daarbij om het leven, waaronder gezagvoerder Soer, die in de mededeling met enkele woorden werd herdacht.

En toen moest de beruchte Zwarte Week nog komen, die week in juli 1935 waarin de KLM drie vliegtuigen verloor, waarbij acht bemanningsleden en elf passagiers om het leven kwamen...

 

Alles OK!.. Draaien



 

Citaat


Op Zoek Naar Dit Boek

,Nou, ik zal 't wel even voorlezen," zegt de Vliegdienst door de telefoon. ,'t Is nogal makkelijk te onthouden:

Maandag met de Ekster en marconist Oolgaard Londen twee', Dinsdag terug. Woensdag weer met de Ekster en met Oolgaard maar Londen een en dus dezelfde dag weer terug.

Donderdag met de -GA en Koopman naar Kopenhagen, Vrijdag terug. En Zaterdag bespreking Hoofdkantoor; om twaalf uur.... deur.... bomen."

 

Het slot van mijn dienstindeling der volgende week is onverstaanbaar geworden, doordat een jongen met een stapel post de telefooncentrale is binnengekomen, net terwijl buiten op het plateau de Gokexpress, de snelverbinding met Knocke's Casino voor Amsterdammers, die Zandvoort, waar immers niets mag, te tam vinden, zijn ene zielige motortje zo hevig voluit laat proefdraaien, dat het nog heel wat lijkt.

"Wat is dat met die deur en die bomen op het Hoofdkantoor?. "Niets bomen. Komen, zei ik. Om twaalf uur bij den directeur komen."


'De baas'

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De medewerkers van dit boek:A. Plesman, Minister H. Colijn, A. Viruly, W. van Veenendaal, S. v.d. Molen, WijlenW.M.O.H. Beekman, I.M. Corsten, I.A. Aler en G. Spit


Hofweg


Ik kijk mijzelf eens aan in het spiegeltje boven de telefoon, omdat door de jaren heen de opdracht ,bij den directeur komen" een onprettige bijklank voor me heeft behouden, sinds op de Middelburgse H.B.S., in I9I7, notabene juist tijdens de terechtstelling van Johan van Oldenbarneveld op de morgen na Sinterklaas, in I B en onder Oome om precies 10 uur 15 de drie splinternieuwe wekkerhorloges van Frans Elout, Han Gieben en mijzelf min of meer toevallig tegelijk en hevig knetterend zijn afgelopen.

"Wat moet ik dan bij den directeur?" vraag ik aan de Vliegdienst met de onwillekeurige snelle bijgedachte, dat als iemand er soms achtergekomen mocht zijn, dat ik de laatste keer in Rome-Ciampino, waar geen nachtverlichting is, tegen de instructie na zonsondergang geland ben, die iemand dan verdorie ook maar eens moet zeggen, wat je dan wel moet doen, als ze je pas tussen Corsica en Elba opgeven, dat Rome-Littorio door de Tiber overstroomd is.

"Weet ik niet," zegt de Vliegdienst. "Nou, saluut."
En zo zit ik Maandagavond met Ekster en Oolgaard in Londen,

 

neem zonder Ekster een overheerlijk Turks bad in jermyn Street om bij te komen van de kou boven de Noordzee, zo raak ik op Dinsdag thuis met mijn kinderen gebrouilleerd over het langzame eten van spruitjes en Woensdag over het nog langzamere eten van spinazie, zo wandel ik Donderdagavond met hetzelfde plezier van altijd langs Christiansborg en dat prachtige binnenplein van de Kopenhaagse Koninklijke Bibliotheek en zit Zaterdagmorgen aan de Hofweg te wachten in het Haagse passagekantoor.

Daar komen meneren, die naar Parijs willen, om kaartjes- daar verkoopt men aan oudheidkundigen nog een laatste Pelikaan-herinneringsbord, daar tracht men aan vreemdelingen uit het Verre Oosten behendig voor te rekenen, dat ze bij hen thuis in Twente per F VIIA eerder kunnen arriveren dan per trein, daar komen jongens om pilotenportretten, een tweetal Nederlanders, die 10% korting op hun passage naar Brussel zouden willen hebben omdat ze met twee zijn en een Engelsman, die priisopgaaf vraagt voor een extra driemotorige Amsterdam-Rome-Barcelona-Tunis en terug over Biarritz en Parijs.


"De directeur heeft gebeld."


Op de dag na Sinterklaas 19I7 klonk dat net zo, toen de concierge het zei- toen was ik twaalf; het is toch beslist lastig om carriere in het leven te maken.

Schelt u of wordt u gescheld? Het is ontzettend pijnlijk, zoals het allemaal eender gebleven is - en wederom hang ik op de gang mijn pet naast de hoed van den directeur, precies als in I9I7- Van binnen klinkt geluid van stemmen, ook al net als toen, want Oome was ons een slag voor geweest orn van de wekkerhorloges te vertellen. Waarover ze het nu zouden hebben? Ik klop maar.

"ja!" zegt de directeur en wijst, dat ik maar een plaats moet zoeken aan de grote groene tafel, aan welks hoofd hijzelf tussen twee telefoons gezeten is: die grote groene tafel, aan welke men onmogelijk kan gaan zitten, zonder zich iets in de buurt van aandeelhouder of lid van de Raad van Bestuur te gaan voelen, al heeft men nog zo opgelegd ,op het matje' moeten komen.

Tegenover mij zit iemand, die blijkbaar ook bij de K.L.M. is, maar dien ik niet eens ken; ongezellig groot wordt die club eigenlijk.

"Dus" zegt de directeur tegen hem, "je hebt je, om zo te zeggen, eigenlijk reusachtig in je vingers gesneden met dat geval. je hebt 't kortweg verknold. Ja - verknold zei ik. Zeg nou niet nee, want dan maak ik me kwaad en ik heb me nog nooit kwaad gemaakt op een vent, die een fout begaan had.

Kerels, die geen fouten maken, kan ik hier in de zaak helemaaal niet gebruiken want die werken niet; die hebben ook vast voor geen cent initiatief. Mijn vader, die was bakker, en die zei altijd, dat alle taarten onmogelijk allemaal als taarten konden smaken.

En de taartjes, die jij tot nog toe voor de K.L.M. gebakken hebt, waren allemaal goed. En daarom zullen we nou over dit bedorven ei in het beslag niet meer praten. Maar laat ik me nou een volgende keer niet weer zo reusachtig in zo'n roomsoes moeten verslikken, want dan zal je me een gezicht zien trekken als je nog nooit gezien hebt.

 

Bovendien word je te oud, om zulke kinderachtige fouten te maken. En zeker niet tweemaal achter mekaar. Als je ouder wordt, dan moet je je niet meer tweemaal door dezelfde hondjes laten bijten; dan moet je de straatjes voorbijlopen, waarin je al gebeten bent.

Als je nog een snotjongen bent en je bent eens in het Rozenstraatje door een straatfox in je linkerbil gebeten, dan ga je de volgende keer toch weer door het Rozenstraatje, omdat je denkt, dat je die hond nou wel even te grazen zal nemen en dan kom je thuis met zijn tanden in je rechterbil.

Maar als je ouder wordt, dan ga je een volgende keer toch zeker doodgewoon over het Anjelierplein - dan kun je de rest van de week tenminste rustig zitten. En dat is nou juist de enige aardigheid van 't ouder worden. Nou - succes verder." ,Dag meneer Plesman."

De onbekende K.L.M.-er, die de laatste minuut onrustig op zijn stoel heeft zitten schuiven, vermits de vergelijkingen van den directeur bekend suggestief zijn, gaat weg en zal vermoedelijk nog jaren lang even vóór een fout in zijn werk aan bedorven eieren en verprutste taartjes moeten denken en de K.L.M. daar dan voor bewaren.

"Hoewel", zegt de directeur, als de deur dichtgetrokken is, "eigenlijk toch niet.... als je me nou vraagt, wat ik ècht van ouder-worden het beste vind, dan is het, dat ik tegenwoordig gewoonweg kan kopen, wat ik wil.

Vroeger ging dat nooit- dan liep ik zo als jongen door Den Haag en dan zag ik in winkels van die dingen liggen, die ik dan echt graag gehad had - en daar liep je dan langs en nog eens er langs - maar ja. Maar nou.... en dat vind ik nou echt lollig.... nou kan ik gewoon een winkel ingaan, ik zeg-. "juffrouw, wat kost zo'n zaklantaren?" "Zestig cent" zegt ze.

Dan betaal ik gewoon die Zestig cent en ik neem die zaklantaren gewoon mee. Dat is toch wat. Nou, en wat wou je nou eigenlijk?"


",Ik moest om twaalf uur bij u komen,"

 

zeg ik.

"ja, je moet een boek schrijven" zegt de directeur. "En in Mei moet het klaar zijn, want dan is het vijftien jaar geleden, dat de eerste kist zijn eerste vlucht naar Londen maakte. En dan moet er van alles zijn - maar óók een boek. Niet een boek vanwege de K.L.M., geen officiële uitgave, waar de maatschappij min of meer verantwoordelijk voor zou zijn, maar zo maar eens een boek, waarin de mensen weer eens wat over de vliegerij kunnen lezen. En jij moet het schrijven - een soort herinneringsboek of zo iets. Enfin, begin maar."

"Ja, maar", zeg ik, ofschoon mij te binnen schiet, dat veldslagen tegen het zo nationale "ja maar" juist de specialiteit vormen van den directeur der K.L.M., die daarin om zo te zeggen de hele Amsterdam-Batavialijn mee bij elkaar gevochten heeft, "ja, maar dat kan niet. Ten eerste ben ik pas een blauwe maandag bij de maatschappij en weet ik niets van wat er vóór 1930 in gebeurd is.

Ten tweede moet ik over drie weken weer naar Indië. En ten derde kan het helemaal niet nu alwéér een boek over de vliegerij. Ik wéét gewoon niets meer. Ik heb nu al wel honderd keer in mijn leven geschreven: "De blokken worden voor de wielen weggetrokken en de machine neemt brullend haar aanloop". En zo, en zo. Dat kan ik allemaal niet nóg eens schrijven. Nee-. nu wéér een boek - dát kan niet."

"ja, ja, ja.... dus met Mei zo'n boek," zegt de directeur. "En zeg nou niet: "dat kan niet" want als de mensen zeggen dat kan niet" en gaan praten, dan zeg ik altijd "begin nou vast te werken, en dan kan het altijd tóch.

En hoe je het moet doen, weet ik gelukkig niet - dacht je, dat ik hier baas kon zijn van een zaak, die vooruit moet, als ik precies verstand had van de détails en de manier, waarop de lui in die zaak hun werk moeten doen om 'm vooruit te brengen.?

Dacht je, dat ik weet, hoe een bougie in mekaar zit en hoe die nieuwe oliepoten van de F XVIII werken? En van dat boek weet ik alleen maar, dat 't in Mei klaar moet zijn. En ik moet een presentexemplaar hebben ook.

Wat de rest betreft - nou, wat je niet weet, lees je maar na in oude couranten en vraag dan een hoop medewerkers.

 

 

En als je hier geen tijd hebt, schrijf het dan in Bandoeng; daar hebben jullie toch tien dagen niets te doen - druk een hoop foto's af op de bladzijden, waarvoor je helemaal niets meer verzinnen kunt - foto's, of heel grote handtekeningen van alle piloten of.... o, wacht even."

Hij neemt een telefoon op, draait een nummer. "Hallo, Martin - als je straks Indië aan de telefoon krijgt en Parmentier spreekt, zeg 'm dan, dat ie er op let, dat het publiek geen handtekeningen meer op de staart van de Uiver kan schrijven daar kan corrosie van komen." De telefoon gaat weer op de haak en meteen rinkelt de andere.

"ja. 0, dat voorstel - néé, zeg het zó maar even.... ja.... ja.... Mmmm.... ja.... ja.... ja...."

Ik overweeg, dat er daar blijkbaar iemand bezig is met een aanmerkelijk betere beurt te timmeren dan ik met mijn bedenkingen. Maar de directeur heeft die blijkbaar al geheel uit zijn aandacht geschrapt en luistert geconcentreerd en met brede aandachtrimpels naar het voorstel uit de telefoon-. "ja.... ja.... ja.... ja ja. ... ja ....

Wat duurt dat lang - daar heeft er kennelijk een aan de andere kant van de draad zijn beste beentje voorgezet en een hand aan deze kant krabbelt aantekeningen en cijfers: " .... ja .... ja.... ja.... ja...... gefronste wenkbrauwen boven vergeleken cijfers, het potlood tikt even.. .. "néé - daar deugt geen klap van, kom Maandag om tien uur maar even praten en dan Dinsdagochtend met een nieuw voorstel."

Dit roemloos einde der conversatie heeft mij ongetwijfeld niet minder verrast, dan de beklagenswaardige plannenontwerper aan het andere einde van de draad, maar ik ben er minder door terneergeslagen, omdat mij juist een geheel nieuw en sterk argument is ingevallen, waarom ik dat boek beslist niet zal kunnen schrijven.

De directeur legt zijn potlood neer en ziet mij welwillend aan. "Ziezoo," zegt hij, "dat is dus in orde met dat boek; spreek de rest maar met je uitgever af en met Corsten van de fotodienst en de anderen.

Ik ben blij, dat we zo gauw tot overeenstemming gekomen zijn; ik heb nergens zo 't land aan als aan lang te moeten praten over iets, dat tóch gebeurt. Wacht, ik schrijf het meteen even in mijn agenda - zeggen we 1 Mei - weet je al een titel? - maar dat komt wel - hier, 1 Mei dus: Boek verschijnt. -

Rook je?"