Boekbeschrijving

Adriaan Viruly
De Bezige Bij/Andries Blitz, Amsterdam
1e druk september 1954, 2e druk

januari 1956

Eerste Ooievaar druk, pocket met enkele foto's, mei 1961
Bert Bakker/Daamen N.V., Den Haag

Hoewel Adriaan Viruly niet altijd op zijn woord kan worden vertrouwd, leunen veel van zijn boeken toch dicht tegen de realiteit aan. Daarmee gaf hij zijn lezers een fascinerend inzicht in gewone en ongewone gebeurtenissen in de toen nog zo avontuurlijke wereld van de luchtvaart.

Maar waar fictie fictie blijft, houdt de realiteit niet halt na het opmaken van een ooggetuigeverslag.

Het is dan ook meer dan eens gebeurd dat zijn werk werd ingehaald door de werkelijkheid, soms ten goede, zoals bij We vlogen naar Indië, maar ook soms, zoals bij Alles O.K.?.... Draaien!, ten kwade.

Het is moeilijk in te denken hoe de realiteit hem harder had kunnen overvallen dan bij dit boek, geschreven "Tussen Shinanomachi en Times Square; Oct. '53-Juli '54." Op 5 september 1954 vertrok de KLM Lockheed Super-Constellation "Triton", met Viruly als gezagvoerder, van het vliegveld nabij het Ierse Shannon op weg naar New York.

Een vlucht naar de overkant, zoals hij er al zoveel had gemaakt en waarvan hij er een aantal in het boek beschreven heeft. De "Triton" zou de overkant nooit bereiken.
Het toestel kwam kort nadat het was opgestegen boven de monding van de Shannon in moeilijkheden, waardoor het hoogte verloor.

Nadat eerst de staart van het vliegtuig het water had geraakt, gleed het met vier draaiende motoren nog iets door op het water totdat het in de modder tot stilstand kwam. De romptank van de Lockheed, die uiteraard vol zat met het oog op de lange vlucht, raakte beschadigd door de klap. Gelukkig brak er geen brand uit, aangezien het vliegtuig half onder water lag.

Dat er desondanks een groot aantal slachtoffers te betreuren bleek, was te wijten aan het feit dat de passagierscabine zich vulde met benzinedampen die het ademhalen vrijwel onmogelijk maakten.

Drie bemanningsleden en tweeëntwintig passagiers kwamen door verstikking om het leven, terwijl twee passagiers verdronken en een door de klap zwaar gewonde vrouw later overleed. Het hoge octaangehalte van de dampen was er de oorzaak van dat een aantal slachtoffers lichte brandwonden vertoonde.

Conclusie van het onderzoek dat naar aanleiding van dit tragische ongeval werd ingesteld was dat technische én menselijke fouten hierbij een rol hadden gespeeld. Viruly wees die conclusie van de hand. Naar zijn mening was het, vanwege de snelheid waarmee de gebeurtenissen zich hadden afgespeeld, niet mogelijk geweest nog adequaat in te grijpen, zie ook het ongevalsonderzoek op deze site.

Zo kort na de voltooiing van het manuscript, waren de voorbereidingen voor publicatie al in volle gang. Nog in dezelfde maand september besloot Viruly dat het boek toch in volledig ongewijzigde vorm zou worden gepubliceerd, blijkens het naschrift dat eraan werd toegevoegd.

- citaat -

In de bitterheid die volgde op een noodlottig vliegtuigongeval scheen het aanvankelijk noodzakelijk om de reeds gezette tekst van dit boek ingrijpend te wijzigen (...).

Niettemin werd besloten om het boek te laten verschijnen zonder dat er ook maar een enkel woord onder invloed van het ongeval gewijzigd was.

Ook de bitterste persoonlijke ervaring zet zich maar om in een persoonlijke visie en een mens ziet daarna de dingen niet noodzakelijkerwijs beter dan daarvoor.(...)

en het zou kunnen wezen, dat een redelijk optimistisch beeld, waarin gedurende twintig duizend voorspoedige vlieguren oprecht werd geloofd, meer geldigheid bezit dan een ander, dat onder invloed van abnormaal onheil ontstond.

De zee en de overkant

1954: Viruly voorpaginanieuws

Citaat



1914-1940

De zee was in het eerste licht van die herfstmorgen lichtgrijs en mat zilver, heel vaag zichtbaar maar onder de dunne sluiers van nevel, waar we nog wel duizend meter boven vlogen.

Ik was aan de langzame laatste daling van de reis begonnen, we verloren niet meer dan een paar honderd voet hoogte per minuut in deze onbestemde grijze tinten van wolken en water, waarin alle bewegen haast misleiding van de fijne felle instrumentnaalden leek.

Die wezen uit, dat er veertigduizend kilo's aan metaal en benzine en mensen met een vaart van acht kilometers per minuut en getrokken door nog zesduizend paarden omlaag in de richting van een Amsterdamse radiozender gestoken kwamen.

Maar temidden van het zware mechanische dreunen, dat onze doffe en slaperige hoofden nauwelijks meer hoorden, leek de grote Superconstellation bewegingloos tussen de nevels in dat aarzelende ochtendlicht alsof hij voor altoos opgenomen was in een wereld van stille sluiers boven een eindeloze zee... die toch maar de heel kleine Noordzee was.

We waren niet op onze gewone route. Ik had koersen uit moeten zetten rond een gebied, waarin schepen en vliegtuigen van een aantal kleine landen zich verenigd aan het oefenen waren in het oorlogvoeren tegen een groot land.

We hadden in de stuurhut net alle vier nog een laatste kopje koffie van de steward gekregen. De tweede naast me had het zijne dankbaar meteen helemaal leeg gedronken, maar dat had hem niet mogen baten: hij was tot in de vorige ochtend met de stewardess naar een helemaal overstelpende nieuwe schitterrevue op Broadway geweest en had in dit laatste half uurtje van de vlucht, waarin er van hem praktisch toch geen werk meer gevraagd zou worden het verweer tegen de slaap nu maar opgegeven.

ledereen was trouwens op deze New York-vluchten, waarin een mens nu eenmaal in vijf etmalen twee nachten slaap moest missen, altijd moe tegen de aankomst en dan geneigd, het nu voor de rest wel te geloven wanneer alle kopzorg van de Oceaan weer achter de rug was en Amsterdam toch goed weer gaf.

Ik voelde mezelf ook wat zoutzakkerig in mijn stoel zitten wachten op de landing, loom van de twaalf vluchturen achter ons, loom van het kijken in donker en grijs zonder tekening en ook van mijn eigen weer veel te drukke dag in New York - met dan ergens daarachter nog wat meer moeheid, die iets te maken had met het nu al twintigduizend uren van mijn leven op zo'n stoel voorin vliegtuigen te hebben gezeten, en iets ook met de ergernis om het treurige spel van oorlog, dat ze daar beneden dus blijkbaar weer eens aan het spelen waren. Over een half uur aan de grond op Schiphol. Om acht uur thuis, om negen naar bed en dan slapen tot 't eten als het lukken zou.

En dan alle vier de dagen tot de volgende vlucht nu maar eens echt kalm-aan, beloofde ik mezelf - het beste zou zijn om de stad maar eens uit te gaan... hoewel, waarheen?... he ik was ook eigenlijk wel weer goed gek geweest om zoveel rond te gaan lopen rossen door dat gekkenhuis van een Manhattan. Zouden een paar rustige leesdagen in Bergen of op de Veluwe...

Mijn koptelefoon onderbrak het soezen: Amsterdam riep de Fox Willy. Mijn microfoon was op de grond gevallen maar voor ik die aan het snoer opgegrabbeld had, had de tweede piloot midden uit zijn dommelen op het horen van onze roepletters de zijne gegrepen en, nog tussen slapen en waken, al 'Fox Willy; come in!' gezegd. Wat of onze hoogte was en waar we nu eigenlijk zaten? vroeg de van vele zulke vroege ochtenden vertrouwde stem.

Ik keek over boord en zag aan mijn kant niets dan water, maar rechts was er blijkbaar kust in zicht gekomen, want in mijn telefoon hoorde ik van de andere stoel rapporteren, dat wij nu negenduizend voet hoog waren en dat de positie West van Walcheren was.

Goed begrepen, zei Amsterdam; dat we dan verder mochten doorzakken tot drie duizend voet en ons op die hoogte melden boven het YY baken van ljmuiden. 'Roger and wilco', - ik heb uw bericht ontvangen en zal uw order opvolgen - zei de tweede, die vroeger in de Engelse Air Force gevlogen had en daar na tien jaar nog het hem dierbare code-taaltje van sprak. Dan sloot hij meteen zijn ogen weer in de gedachte, dat ik wel voor de rest zorgen zou.

Ik zette de automaat op een wat snellere daling maar maakte tegelijk even mijn riemen los om, overleunende naar zijn kant, omlaag te kunnen kijken naar mijn oude eiland, dat ik a] wel in geen jaar meer gezien had. ja, daar lag het, donker afgetekend in het grijs van nevels en water. Het Eiland - was Walcheren tenslotte voor me gebleven.

We waren in New York gestart op baan 31-Rechts, die precies op het verre Empire State Building gericht is en dat hoogste torenhuis tussen alle andere wolkenkrabbers was het laatste geweest, dat ik van de mensenwereld nog had kunnen zien voor ik nu de eenzame hoge oude vuurtoren van het Westkapelle van mijn jonge jaren zag staan. ia, onze toren, - en daar lagen dan ook Domburg en Zoutelande... en daar het Middelburg van mijn H.B.S.-jaren... en daar de Sloedam, die al geen dam meer was... en daar de kranen van Vlissingen met, aan het andere einde van het Kanaal van mijn eerste zwemlessen, het kleine grijze Veere, waar uit het korte haventje net vroege garnalenschuitjes naar zee voeren...