Boekbeschrijving

Adriaan Viruly
Ad. Donker, Rotterdam
1970

voorwoord van Jan de Hartog

Deze bundel draagt dezelfde naam als het programma waarmee Adriaan Viruly en Mary Dresselhuys in 1969 door Zuid-Afrika trokken.
Bedoeld voor Nederlandse immigranten, bestond het programma uit twee keer een voordracht door Mary Dresselhuys en twee keer een half uur van Viruly's herinneringen aan de luchtvaart van vroeger.

Hoewel minder sterk dan in latere jaren het geval zou zijn geweest, was er toch kritiek op deze tournee. Maar volgens Viruly konden er toch geen politieke bezwaren bestaan tegen dit "onderonsje voor Nederlanders" en Mary Dresselhuys wees terecht op de badgasten die naar Spanje trokken, dat toen immers nog een dictatuur was.

De bundel omvat naast enkele verhalen ook drie eerder uitgebrachte boekwerken.

Dit betreft De zee en de overkant, de roman Weerzien bij Passchendaele en zijn beschrijving van Mary Dresselhuys, waarbij de tekst van de derde druk, uit 1959, is gebruikt.

Het verhaal "Proceed but take no risk" opende oorspronkelijk Logboek vliegtuig Douglas P.H.-A.K.E., terwijl "Om de eer van ons land" datzelfde boek afsloot.

"Heel gewoon Kees" is een gedeelte van het hoofdstuk "De FVIIb" uit De vluchten van Pegasus.

Het verhaal "Kerstmis in New York" verscheen oorspronkelijk in "Gij zult het kindeke vinden...", een bundel Nederlandse en Vlaamse kerstverhalen die door J. van Tuyl, Antwerpen- Zaltbommel, werd uitgegeven.

Hoewel het in de eerste druk van De zee en de overkant was opgenomen, wordt het hier niet binnen dat kader, maar als apart verhaal herdrukt.

Inleidende tekst op de cover:

Viruly?

'Een vogel tussen de zoogdieren,' schrijft Jan de Hartog in zijn voorwoord bij dit boek, in een poging het 'fenomeen' Viruly te benaderen.

'Hij was de eerste, en tot op heden de enige schrijver in de Nederlandse taal die niet alleen de sensatie van het los-van-degrond-zijn beschreef, maar dat in wezen werkelijk wás.' -'In alles wat hij schrijft is er die afstand, dat bezien vanuit een ander element.'

Viruly een vogel - natuurlijk, want vlieger was hij in hart en nieren, - een leven lang enthousiast voor een ambacht waarvan hij de pionierstijd beleefd heeft -, maar ook een zoogdier, een mens zoals wij, want daarvoor is niets menselijks hem vreemd. Van deze tweeëenheid 'vogel-mens' is deze verzameling van Viruly's schrifturen het bewijs.

Er zijn zijn vliegherinneringen voor wie lezen wil 'hoe zij vlogen die nu niet meer vliegen ... hoe zij leefden die nu voor de helft niet meer leven. . . wat de luchtvaart was toen het nog niemand schelen kon wat hij er mee verdiende of wat voor pensioen er aan vast mocht zitten ... toen harten boven Soesterberg en Schiphol klopten zoals er sindsdien nooit meer geklopt hebben . . .'

De zee en de overkant, 30 jaar vliegen, is dan geschreven door die vogel, op weg van overkant naar overkant, Engeland - Amerika, Bristol - Lissabon, in een tijd van oorlog waarin de oversteek met de Liberator een hachelijke zaak was en het vliegersberoep nog riskanter

Kunst en Vliegwerk

Citaat



Het voorwoord van Jan de Hartog geeft een verrassend goede kijk op Adriaan Viruly, wiens persoonlijke leven toch altijd wat raadselachtig blijft.

Gedurende duizenden en nog eens duizenden jaren, van de geboorte van onze eerste bewustheid af, was het onmogelijk geweest voor ons mensen om te vliegen - en ineens: daar ging hij.

Hotsend, zwiepend, snorrend als een kever hupte het machientje naar de start, maakte een waggelende omzwaai, en deinde daverend de hei af, vlak over het dak van Villa Repelsteeltje aan het eind van de startbaan, en de wolken in.

Het was de jonge luitenant Viruly, en in Villa Repelsteeltje mopperde de heer Brugmans over de ochtendkrant tegen zijn vrouw over de heidense keet van die rot-machines, we moeten nodig eens een briefje aan de Wethouder schrijven.

Zó nieuw was deze mens en wat hij deed dat wij het ons niet meer kunnen voorstellen. Bernard Shaw verbaasde zich er al over dat, terwijl hij zelf drie maanden van vallen en opstaan nodig had gehad om fietsen te leren, de kinderen van zijn vrienden in het zadel bleken te springen en weg te peddelen vóór zij wisten dat het onmogelijk was.

Onze kinderen en kindskinderen hebben helemaal geen moeite het principe van de ruimteraket te begrijpen, terwijl mijn vader, die toch Hoogleraar was, zó weinig begrip had van de werktuigkunde dat hij een boze brief schreef aan de Wethouder voor de Gemeentetram in Amsterdam omdat altijd nèt als hij de deur uitkwam lijn 10 voor zijn neus wegreed.

Het irritante was dat deze magere, onsoliede jongen zich helemaal niet bewust leek te zijn van de WERKELIJKE waarden in het leven - hij maakte overal maar een grapje van. Zelfs zoiets dood-engs en gevaarlijks en onnatuurlijks als vliegenieren, het leek wel als of hij geen doodsangst kende omdat hij noch de ernst des levens, noch de Vreze des Heren deelachtig was.

Zijn eerste boekje, "Voor Vrij, Contact!" werd, omdat de eerste twee woorden op de titelpagina boven het derde stonden vlot verkocht, aangezien de mensen dachten dat het een boekje over de vrije liefde was. Alles wat in werkelijkheid toch echt serieus moest zijn werd door hem als een soort schalkenstreek beschreven; terwijl andere, soliedere collega-vliegers hun ervaringen met humorloze ernst te boek stelden, Hollandse Nachtegalen op de wiek, maakte Viruly er een spel van.

Verkeersvlieger werd hij, naar Parijs en Londen, en wat bleef je het beste bij uit zijn beschrijvingen van die hachelijke tochten? Dat de heer Plesman, directeur van de jonge luchtvaartmaatschappij, zijn piloten opdracht had gegeven om, ingeval van tegenwind, boven de spoorlijn Amsterdam-Parijs te vliegen zodat noch vanuit het vliegtuig noch vanw,t de wagons te zien zou zijn dat het vliegtuig langzamer ging dan de trein.

Zo bleef het - wat hij ook schreef, en hij schreef véél, het was allemaal wel heel aardig en vlot en interessant zelfs, maar men kon toch de indruk niet van zich afzetten dat hij, ergens, het leven niet ernstig opnam, althans niet ernstig genoeg voor een letterkundige. Het was altijd een kenmerk van de Nederlandse Literatuur geweest: de levens-ernst, behalve in geval van officieel erkende humoristen zoals Justus van Maurik en F. de Sinclair. Zijn luchtige, badinerende stijl was "vlees noch vis", en geen wonder, want hij was een vogel, hij kon de mensen met hun ronkende leuzen en hun sombere kamertjeszonden en hun dromen van onsterfelijkheid, hem zelf inbegrepen, niet anders dan in vogelvlucht zien.

Hij was de eerste, en tot op heden de enige schrijver in de Nederlandse taal die niet alleen de sensatie van het los-van-degrond-zijn beschreef, maar dat in wezen werkelijk wás.

Ik spreek in, de verleden tijd, omdat dit allemaal zo lang geleden lijkt, die vooroorlogse vliegerij en die vooroorlogse litteratuur. Hij was deel van het een zowel als het ander, maar hinderlijk ongebonden door het één noch het ander. Zoals een getergde recensent het eens uitdrukte: "Men krijgt geen vat op hem".

Men krijgt pas "vat" op het fenomeen Viruly in onze letterkunde indien men ervan uitgaat dat hij, fundamenteel, anders is dan wij: een andere diersoort, een vogel tussen de zoogdieren.

In alles wat hij schrijft is er die afstand, dat bezien vanuit een ander eleinent. In deze bundel is daar het beste voorbeeld van zijn portret van Mary Dresselhuys, later zijn vrouw. Het is de gefascineerde, zelfs verrukte beschrijving van iets bijzonder moois en ongelooflijk boeiends, maar het staat dichter bij de verrukte beschrijving, die Darwin van de onbekende diersoorten op de Galapagos Eilanden leverde, dan bij de soliede pen-portretten die wij onder ons gewend zijn.

Hij brengt geen identificatie onzerzijds teweeg met zichzelf als beschouwen, noch met het onderwerp van zijn beschouwing. Hij fascineert ons op een -andere manier: door een jeugdigheid, een onschuld, een enthousiasme dat zo helemaal niet lijkt te passen bij een luchtvaart-pionier, of ook maar een volwassen, ernstig mens. Inderdaad, daar past het dan ook niet bij, maar wèl bij die beschouwen vanuit dat andere element, waar woorden als "meisjesachtig" en "dweperig" en "oppervlakkig" totaal geen betekenis hebben: er is geen meisjesachtige, dweperige of oppervlakkige vogel denkbaar.

Vandaar dat zijn werk en zijn stijl bijzonder bedrieglijk zijn.

Wie ze benadert met de conventionele maatstaven van de letterkundige landmeter kan niet anders dan een twee-dimensionale beschrijving leveren van een drie-dimensionaal fenomeen. Om te beginnen is het onmogelijk om hem op de gebruikelijke wijze te compartimenteren: zijn "leven" in één hokje en zijn "werk" in een ander. Hij is ondeelbaar; zijn leven is deel van zijn werk, eerder nog dan omgekeerd.

Van de mens Viruly vindt men in zijn werk een vluchtige weerspiegeling, niet, zoals in de meeste gevallen, een verhoogde concentratie. De meeste schrijvers zijn, in het dagelijkse leven, verrassend saaie mensen; het laatste wat Viruly genoemd kan worden is een saai mens. Ik ken hem nu langer dan dertig jaar en ik kan met de hand op mijn hart verklaren dat hij, gedurende al die jaren, geen seconde nagelaten heeft mij uitermate te boeien.

Ik ken geen ander die met zo'n intense, aanstekelijke gefascineerdheid het leven beleeft als hij. Wat voor de opper. vlakkige beschouwen in zijn werk soms oppervlakkig of "luchtig" mag schijnen blijkt in zijn dagelijkse leven een verrassende, unieke ruimte te zijn - ik kan er geen ander woord voor vinden. Gezien door de ogen van Viruly, in zijn tegenwoordigheid, krijgt de werkelijkheid een nieuwe dimensie: ruimte, die van een vogel.

Ik kan dit het beste met een voorbeeld duidelijker maken. Kort na mijn aankomst in Engeland, in 1943, ontmoette ik hem in Bristol waar hij deel uitmaakte van de KLM dienst op Lissabon-Gibraltar-Cairo.

Bristol was, van alle gebombardeerde Engelse steden die ik gezien had, de meest trieste: een berookte, hopeloze puinhoop, waarvan één beeld mij als een soort symbool is bijgebleven: de resterende muur van een ingestort huis, met tegen de wand van de bovenste verdieping nog een schoorsteenmantel met een rijtje boeken, dik onder het puinstof.

Het was een apocalyptische atmosfeer van ondergang en massale waanzin, een ontmaskering van het genus mens als een bloeddorstig, bruut, bezeten beest dat bezig was gezamenlijk zelfmoord te plegen. Iedereen die ik in de stad tegenkwam was door een geestelijke malaise aangetast, allemaal, zonder uitzondering waren we, essentieel, zonder hoop. Zelfs al zouden we de oorlog overleven, zelfs al zouden we hem winnen, er was iets voorgoed verloren gegaan: een zelfvertrouwen, een zelf-achting. Niemand zei het met zoveel woorden; niemand praatte erover. Maar de ondergang van het avondland had iedereen in zijn déf aitistische, melancholieke ban gevangen.

Iedereen, behalve Jons.

Ik was ondergebracht in hetzelfde gerequireerde hotel als hij; de dag na mijn aankomst kwam hij terug uit Lissabon. Ik zat in de eetzaal toen hij binnenkwam, één van de tientallen jonge mannen die, ieder op hun eigen wijze, die heimelijke wanhoop, die innerlijke capitulatie trachtten te verbergen onder een toffe, quasi "mannelijkheid".

Hij kwam binnen als een wezen uit een andere wereld: gefascineerd, enthousiast, met een bos bananen en een paar flesjes Cherry Brandy voor de paar trieste oude dametjes die, hardnekkig, in het hotel waren blijven wonen omdat ze nergens anders heen konden gaan. Ik had hem voor het laatst in bezet Nederland gezien; hier - zo leek het me - zag ik hem voor het eerst in zijn ware gedaante, want hij was totaal onveranderd. Hij was alles wat wij niet langer waren: zelfverzekerd, volkomen open, zonder zelfoverschatting en zonder schuldgevoel; hij had de stralende, benijdenswaardige eigenschap die alleen zij zich kunnen veroorloven die gezegend zijn met een gevoel van volkomen innerlijke veiligheid.

Hij was de enige onder ons die zich niet bedreigd voelde, van buiten af of van binnen uit; en als gevolg daarvan kon hij zich als enige geheel met een ander identificeren: de eenzame oude dametjes aan hun ronde tafeltjes en hun poppeserviesjes, de bange, stotterende juffrouw van de receptie, de toffe jongemannen zonder hoop, de gedesoriënteerde vriend uit Nederland.

Hij kwam bij me zitten; na bijgepraat te hebben met vluchtige luchtigheid begon hij over wat hem op dat ogenblik het meest begeesterde: de briefwisseling tussen Bernard Shaw en Ellen Terry die hij in de stadsbibliotheek had gevonden. Hij stak mij aan met zijn onbekommerde geestdrift - die avond las ik, in mijn nare, holle kamertje, de brieven waar hij zo vol van was. Ik las ze met een gevoel van bevrijding, van ontwaken; het was voor het eerst sinds mijn vertrek uit bezet Nederland dat ik loskwam van de oorlog. Het leek alsof de brieven mij het geloof in de toekomst van de mens teruggaven; pas veel later werd ik mij ervan bewust dat niet het boek, maar hijzelf dat had gedaan. Want hij was net teruggekomen van een vlucht die door veel mensen als roekeloos en onverantwoordelijk werd beschouwd: met een ongewapend lijnvliegtuig dwars door de eskaders Duitse jagers die in Spanje waren gestationeerd; er waren er al verschillende gebleven.

Maar op de een of andere raadselachtige manier was hij daar los van en kon hij zich, oprecht, volkomen openstellen voor een boek dat niets met oorlog, waanzin of walging over eigen wreedheid te maken had. Ik besefte dat wie dit "oppervlakkigheid" noemde daarmee alleen maar dat oordeel velde over zichzelf.

Viruly is een unicum in onze litteratuur gebleven, want de wereld die de zijne was is niet meer. De verovering van het nieuwe element door de mens, de verruiming en de ongelooflijke vrijheid, zijn verdwenen met de ontwikkeling van de techniek. Vliegers hebben nu een vakvereniging, vastgestelde uren en pensioenfondsen; de burger-luchtvaart is veranderd in de burgerlijke. Ik vroeg Jons eens wat het ogenblik was waarop hij besefte dat zijn tijd - die van de jonge, romantische vliegere - voorbij was; hij dacht er over na en antwoordde: "Ik geloof dat het was toen ik voor het eerst, bij het aan boord komen voor een trans-atlantische vlucht, een chef met een koksmuts onder mijn bemanning aantrof." Het was het eind van een onvergetelijke periode in de geschiedenis van onze diersoort, waarvan we het belang pas veel later zullen kunnen begrijpen.

Niet het belang van de technische triomf, maar van de verruiming van onze menselijkheid.

Ik zei dat Jons Viruly ondeelbaar was; zijn pacifisme is geen stokpaardje, het is deel van zijn persoonlijkheid, een onmisbare karaktertrek van die nieuwe mens, die gedurende een kortstondig uur hachelijk boven de aarde zweefde, om, onder de ban van de Paradijsvloek, het instrument van onze bevrijding te zien veranderen in een instrument van onze vernietiging. Voor de enkelen onder ons die vogel waren en een glimp opvingen van de toekomst van onze evolutie, bleek de oorlog, van dat nieuwe element uit gezien, boosaardig, waanzinnig, anachronistisch - een volkomen belachelijke, wereldvreemde verdwazing. Het was het oordeel van een gezond mens over een krankzinnige: objectief, logisch, zonder agressiviteit of minachting.

Gedurende dat uur, waarin de wereld met een gevoel van hoop luisterde naar de stemmen van de Saint-Exupéry en Viruly zoals zij nu luistert naar die van de astronauten op de maan, leek hun pacifisme overtuigend en intelligent. Nu zegt men van Viruly dat hij "reactionair" is - "veranderd".

Het is niet Viruly die veranderde; het zijn de pacifisten. Gezien van dat andere element uit is wat vandaag de dag voor pacifisme door gaat een slecht vermomde vorm van,geweld. Een jongere van tweehonderd pond die zich slap houdt en zich door vier zwetende, struikelende agenten laat wegslepen naar de gevangenwagen is, in de ogen van de vogel, geen pacifist maar een provocateur, om van de beunhazen die schunnigheden schreeuwen tot zij door de getergde politie een klap op hun lazerij krijgen maar niet te spreken.

Het is niet Viruly die "oud is geworden", het zijn wij, die teruggevallen zijn in de oude verdwazing. Vogels worden niet "oud": ik ken oude honden, oude katten, oude mannetjes en zelfs oude leeuwen, maar de enige "oude" vogels onder ons zijn zij die in gevangenschap leven: kippen, papegaaien en tamme kraaien.

Ook al is het uur dat hij voor ons belichaamde voorbij, Viruly leeft niet in gevangenschap onder ons. Zijn bewonderde Bernard Shaw schreef eens aan een non in een klooster met wie hij alleen door een getralied luikje had gepraat: "When may 1 come back to see you, and rattle the bars that separate me from freedom?"

Ook al vliegt hij niet meer en praten sommige verknipten over hem alsof hij iets in een kooi was in Artis, het zijn wij die aan de tralies rammelen die ons van zijn gevleugelde vrijheid scheiden. Het is met eerbied en met naijver voor zijn eeuwige jeugd dat ik deze bloemlezing uit het werk van mijn oude vriend aanbied aan de nieuwe generatie in ons lommerrijk zitje, ontworsteld aan de baren, getorend met de stapelwolken waaromheen hij, lang geleden, speelde in lang gedroomde vrijheid.

De zegen, Jons.

Nokomis, Florida, September 1969 Jan de Hartog