Boekbeschrijving

Godfried Bomans, Willem Brandt, Anthonie Donker, Johan Fabricius, A. Viruly e.a.
De Brug - Djambatan N.V. Amsterdam

Literair historisch document waarin 13 Nederlandse auteurs schrijven over hun persoonlijke ervaringen in de oorlogsdagen van mei 1940.

Ieder doet dat op zijn eigen manier, niet alleen wat de vorm betreft, maar ook in de wijze waarop de gebeurtenissen van toen innerlijk zijn verwerkt.

De één beklemmend, de ander laconiek, een apocalyptisch visioen en een bijna komiek bravourestuk, groots, zielig, met en zonder commentaar, maar altijd menselijk, onvergetelijk en onherhaalbaar.

Viruly beschrijft in detail en met veel humor zijn belevenissen op de 10de en 14de mei 1940, toen de laatste drie Douglassen van de K.L.M. "bijna" ontsnapten aan de Duitsers.

Alles OK!.. Draaien

Schiphol 1940, na de bombardementen

Schiphol 1940, voor de oorlog

Citaat



Och, Ligdy hier verslagen...

'God beware ons lieve Vaderland voor zoodanig meerder tumult.'

Michiel de Ruyter

ja, ja ... dat is een goed idee, een aardig idee. Laten wij nog eens bijeenkomen in een boekje, wij van de P.E.N. en het vrije woord en de vrije gedachte, om voor een keer nog eens te spreken over de oude dagen, - die vijf oude dagen, waarin ons land in een tachtigurige oorlog een beetje voor zijn vrijheid gevochten heeft.

Laten wij daar elkaar en iedereen, die verder luisteren wil, nog eens van vertellen. Het zal misschien voor het laatst zijn. Want als de volgende oorlog dichterbij zal zijn gekomen, zal ons de lust daartoe gaan ontbreken. En het zal dan ook zo goed niet meer kunnen.

Want dan zullen die vijf dagen, die in I940 zo dramatisch leken, plotseling nog veel verder dan thans al blijken te zijn teruggeweken tot in een goedige, haast idyllische verleden tijd van vertrouwde begrippen, waar woorden voor bestaan: Moed, Strijd, Lafheid, Eer, Vlucht, Hoop ...

Maar met die tijd zullen we dan ineens geen enkele verbinding meer kunnen maken.

Kort voor onze volgende oorlog zal het zeker heel stil worden. Ook wij van de P.E.N. zullen dan niet eens meer zo erg voor het gebruik van het Vrije Woord zijn in het plotselinge licht van een Lotsbestemming, waartegenover álle woorden, vrije of slaafse, tot enorme Nonsens zullen worden. ja, ja ... dat is een goed idee, laten we elkaar nu dan nog eens van onze oorlog vertellen.

Het wás natuurlijk helemaal geen echte oorlog; laten we elkaar nu maar geen Mietje meer noemen.

Een paar duizend doden maar, niet veel meer dan we er nu elk jaar in het verkeer maken, falende bevelvoering, een chaotisch voor in verhouding heel weinig aanvallers teruglopend leger, een capitulatie na een beperkt gebruik van lichte bommen tegen Rotterdam - en spoedig daarop al zóvele firma's geld verdienend aan de bezetting en zóvele nationale volksmeiden lollig met Duitsers in bed, dat mag achteraf bekeken met elkaar natuurlijk geen echte vrijheidsstrijd of oorlog heten.

Geen van de door ons geleverde slagen bij Afsluitdijk, Grebbeberg of Rotterdam zal ooit in andere schoolboekjes dan die van onszelf vermeld worden. Maar goed, in die vijf dagen zagen wij het gebeuren dan toch voor heftige strijd aan en het is nu na twintig jaar wel een leuke afleiding van de vervelende hoofdzaak om samen nog eens over onze persoonlijke impressies te gaan meesmuilen.

Wel, ik voor mij heb die hele oorlog van ons haast nog helemaal gemist door het lezen van een boek; dit zou waarachtig wel het P.E.N. lidmaatschap ten top gedreven geweest zijn! Op 9 mei had ik een lijnvliegtuig van de KLM naar Zuid Engeland gevlogen, Shoreham heette het veld daar. We hadden er een uur of vier tijd bij het badplaatsje Worthing, het was heerlijk voorjaarsweer en ik heb er op de pier bijzonder verdiept gezeten in heel mooi proza. Toen het tijd werd om naar Nederland terug te vliegen, liep ik over die pier lezend naar de kust, stapte daar lezend in de bus en bleef daarin zo geabsorbeerd verder lezen als wij dat in de P.E.N. nu eenmaal met mooi proza gewend zijn.

Daardoor zag ik helaas pas na een kwartier rijdens, dat die bus de zee aan de verkeerde kant had en ik dus van het veld vandaan reed in plaats van er naar toe.

Engeland wás toen al in oorlog, benzine was er schaars, taxi's reden er al haast niet meer.

Te laat op het veld komen betekende het vervallen van de thuisvlucht en uitstellen daar. van tot de volgende dag, want alleen op een bepaald afgesproken tijdstip mochten wij starten en de corridors en kustbatterijen langs de Kanaalkust passeren op straffe van neerschieten, - dat was heel uitstekend, hoffelijk maar ook onverbiddelijk, zoals die Engelsen in oorlogstijd zijn, geregeld.

Ik was in mijn leven nog nooit bij de KLM te laat gekomen en stond, eenmaal uit de bus gestapt, in grote schaamte op een krijtrots. Wat een blamage tegenover de Maatschappij, de passagiers ... ! dat kwam er nu van lezen in plaats van leven! Maar wat er toen ineens tegen alle waarschijnlijkheid in op die eenzame weg waarachtig tóch nog aankwam, wás een lege taxi! De chauffeur leek mij een engel des hemels, precies op het nippertje haalde ik dank zij zijn enorm tempo het veld en vloog ik nog nét op tijd de corridor uit en langs Beachy Head, Dungeness, Dover ... en tenslotte bij IJmuiden naar binnen.

Dat betekende echter: nog nét op tijd voor onze oorlog, die nacht! Toen ik vanuit mijn Amsterdamse dakraam de eerste duikbommenwerpers op Schiphol zag neersteken, heb ik er nog aan moeten denken, of mijn engel eigenlijk niet met een bokspoot zijn gaspedaal zo diep had ingetrapt.

Het was toen misschien een uur of vier in de morgen, er werd gevlogen, geschoten, zwarte rook rees van Schiphol, het was onmiskenbaar oorlog. Ik vond mezelf na weinig minuten gekleed op straat staan in de gedachte, dat ik nu ogenblikkelijk naar Schiphol moest. Daar zat iets in van 'Was schert mich Weib? was schert mich Kind? ich trage weit bessres Verlangen': de vloot van mijn Naamloze Vennootschap moet nu gered worden. Zo waren wij immers in die tijd! Had enige socialist ooit kunnen voorzien, dat een werknemer, als het er op zo'n ogenblik om ging, zó bezeten door het lot van een geliefde N.V. zou kunnen raken?

Een ander verwilderd persoon, een jonge vrouw in een autotje, werd door me aangehouden. Ze bracht me graag tot op een paar honderd meter van Schiphol en riep me daar 'God hoede U!'

Maar er was op ons vliegveld geen gevaar meer te bekennen. Er waren nog wat meer werknemers uit de stad komen aanrennen, 't Marxisme lag op zijn rug, ons bedrijf! daar ging het om, - ook om Nederland natuurlijk, maar daar hebben we in die minuten geloof ik geen van allen nog zo speciaal om gedacht. De hangars moesten open! De machines moesten naar Engeland! De Vloot moest gered!

Bij de volgende oorlog zal dat natuurlijk allemaal heel anders zijn; men kan dat nu al heel duidelijk aan voelen komen. Maar in dat vroege morgenuur, toen de lucht boven de rokende gebouwen zo stil en blauw was, leek het nog duidelijk, of een man in nood naar beste weten handelen moest en er dan nog heel wat bereikt zou kunnen worden.

Individueel een plicht te vervullen leek veel zin te hebben. Hoge vlammen laaiden uit veel kantoren. Met nog ander personeel draafde ik over gebroken glas en nog rokende bom trechters naar de eerste, de beste hangar. De grote roldeur was door de luchtdruk ingedeukt en zat muurvast, - hoe die nog te openen voordat die rotmoffen weer terug zouden komen? Hier en daar verschenen wat soldaten; in de kazerne waren doden, maar in de mitrailleursnesten was beweging, Uit één daarvan maakte zich een gestalte los, die kwam naar ons toe. Wij keken elkaar aan, twee goedwillende amateurs, die helemaal niet wisten, hoe ze met oorlog aanmoesten, maar de regels zo goed mogelijk wilden opvolgen. Want plicht was plicht, alleen: wat wás nu plicht?

'Wel?' vroeg ik hem. Hij was een vriendelijke jongen in een soldatenpak met een helm op zijn boerenhoofd, duidelijk verlegen, dat hij een order van zijn jonge luitenant aan iemand met drie gouden strepen moest overbrengen.

'Meneer,' zei hij, 'U mag hier niet komen. Ze bombarderen ons.'

En wij van de KLM waren toen ook meteen wat verlegen. ja, - dat was dan zeker zo, in een oorlog was Schiphol waarschijnlijk ineens van de soldaten en dan mochten wij daar zeker niet meer komen. Het leek trouwens ook weinig zin meer te hebben om er te blijven staan. Een hol soort van krankzinnigheid hing in de lucht.

Er racete een brandweerauto voorbij, door het prachtige morgenweer, en er floten veel vogels. We liepen naar de Ringvaartdijk. Toen we daar stonden en van boven op ons stervende wereldje keken, begon er een sirene te loeien, eerst drie keer of er een postmachine uit Batavia thuiskwam, maar toen vaker. Iemand riep een beetje pathetisch 'Dekking! Dekking!' Er holden wat soldaten met karabijnen naar een schuilkelder toe. Ongetwijfeld naderden er nieuwe Duitse vliegtuigen, maar ik kon ze nog niet zien. Als ze dichtbij zouden komen, zou ik op de grond gaan liggen, dat was bekend uit de film en uit boeken, plat op de grond en dan maar wachten wat er gebeuren zou. Chinezen of Abessiniërs en zo, hadden zich op persfoto's ook altijd plat op de grond gegooid, maar het was wel génant, om daar nu als Nederlander aan mee te moeten gaan doen.

En daar kwamen ze waarachtig al, negen donkere machines vanover Aalsmeer. Als ze op Schiphol zouden gooien, was het 't beste om aan de Amstelveense kant van de Ringdijk te kruipen. Daar ging ik dus in mijn pas opgeperste uniform liggen, maar niet te haastig teneinde het niet ál te belachelijk te maken.

De Duitse machines vlogen misschien duizend meter hoog. Een bespottelijk eind van hen vandaan verschenen een paar springwolken van afweervuur in de lucht. Dit serieus verweer van onze mensen werkte meer ontroerend dan komisch op me; - wie was er nu bij ons ook echt op oorlog bedacht geweest; ik vond het al mooi, dat er na zo'n totaal onverwachte aanval zo vroeg in de ochtend al echt met kanonnen geschoten werd zoals het hoorde.

De vliegtuigen naderden. Ik zag korte witte rooksporen onder de buiken verschijnen en het loslaten van de bommen. Daar had je het dan. Nek in, ogen op de grond, en o ja, mond open, dat las je altijd . nu hoorde ik de bommen aanfluiten, dat klopte ook precies. Over de dijk heen, een honderd meter of zo weg, kraakte het, klonken valse harde klappen en ergens gierden scherven door de lucht. Daarop voelde ik heel duidelijk, dat ik niets voelde; ik lag daar dan ook heel slim gedekt, net een echte Chinees of Abessiniër. Nek in, ogen op de grond . . . zes daverende klappen achtereen, dat was zeker wat ze een kettingbom noemden. Wat een walgelijke rotschoften! - en mijn tweede bestuurder op de laatste Indiëvlucht was nog een overtuigd N.S.B.-ergeweest; in Bandoeng had ik nog kameraadschappelijk met hem zitten debatteren!

Als ik ooit in mijn leven nog eens over dit moment schrijven zou, zou ik moeten schrijven, dat mijn grote verlangen in het gezicht van de dood waarachtig nog een verlaat verlangen naar de invoering van de doodstraf voor andersdenkenden geweest was, minder verheffend kon het al niet, maar zo wás het ... nu viel er ineens een bom óver de Ringvaart aan mijn kant van de dijk, modder spoot daar omhoog ... meteen liet ik me het water inglijden ... diep ademen, dan hoofd onder ... dat was hopelijk scherfvrij ... zware dreunen ... even boven water adem halen ... maar nu klonk daar alleen nog maar verwijderend motorlawaai. . . druipend kroop ik weer uit de Ringvaart. De vliegtuigen verdwenen richting Badhoevedorp. Een kleine troep mannen met een mitrailleur snelde ergens naar toe.

Het was allemaal een beetje zielig, een beetje belachelijk, een beetje vernederend en heel absurd.

Schiphol leek nu één grote chaos.

Met een paar andere KLM-ers liep ik de dijk langs. We kwamen een mij bekende officier van de luchtdoelartillerie tegen. Geheel onverklaarbaar begonnen we tegen elkaar te lachen. 'Het is zo ver,' zei hij, 'kom mee in de schuilplaats voor geval ze nog terugkomen.' Terwijl ik hem daarin druipnat volgde, betrapte ik me op de hoop, dat hij niet teveel van al die artikelen van me over de verbroedering der volkeren door middel van vliegtuigen gelezen zou hebben. Overigens stond ook hij gelukkig voor gek - door er nog geen enkel neergeschoten te hebben.

Dat gebeurde dus allemaal op de ochtend van die 10de mei van I940, nog ruim 5jaar vóór de eerste A-bom, zesjaar vóór de H-bom en, pak weg, even 20 jaar vóór de Co-bommen van binnenkort.

Het is grappig om er aan te denken hoe we ons in de dagen, die volgden, hebben trachten aan te passen aan dat nieuwe oorlogsleven, waarvan we toch eigenlijk gedacht hadden, dat zoiets in Nederland natuurlijk nooit zou kunnen.

Slag bij Waterloo, slag bij Addis Abeba, slag bij Guadalajara, slag bij Shanghai, dat kon allemaal; slag bij de Grebbeberg, dát was onzin. Maar dat kon dan tóch, bleek het.

Nu ja, niet dat er echt zwaar gevochten is om die vrijheid van ons - dat leren de verliescijfers wel. Vechten op enige schaal hebben we in Nederland ontweken omdat er anders teveel mensen gedood zouden worden. Maar we hebben in andere zin toch echt ons best gedaan. Ach hemel, ach hemel, als ik er nog aan denk, hoe vol van goede wil we over de radio tussen de waarschuwingen voor Hitler's vliegtuigen door telkens al onze schoolliedjes hebben gespeeld, van de blanke top der duinen, van ferme jongens stoere knapen, van 'k heb u lief mijn Nederland, het is om te lachen en om te huilen. Een beetje meer om te lachen misschien omdat we er geen besef van hadden, welke maatregelen we nu eigenlijk met al onze goede wil moesten nemen, terwijl het toch de laatste maal in onze Vaderlandse Geschiedenis was, dat er na het begin van een oorlog nog echt wat zinvols te doen viel.

Ik kan het me zo goed begrijpen, dat iemand het idee voor juist déze P.E.N. uitgave gekregen heeft.

Die vijf dagen 'oorlog' van ons werden een vertederende herinnering, die we niet lang meer zullen kunnen blijven koesteren. Zo lang als we echter nog in volle en redelijk veilige vrede leven, waarin alleen over H-bommen beschikt wordt door Russen, Amerikanen, of Engelsen die wel wijzer zullen zijn dan ze te gaan gebruiken, is het nog best prettig om te denken en te schrijven over wat we voelden en dachten en hoe we handelden, toen we nog zoveel jonger waren en ineens allemaal een nieuw absurd leven moesten beginnen.

Wat speelde het in die meidagen van twintig jaren her voor het laatst nog allemaal een rol! - onze Goede Wil, onze Bezorgdheid voor de Koningin, onze Zorg voor Elkaar, onze bekommerdheid om de Schuldvraag, onze Gemeenschapszin, onze Vaderlandsliefde, ons Geweten vooral! ... alles, wat toen nog zo'n Zin had en waar toen dus ook nog Woorden voor te vinden waren.

Als straks de Fransen die bommen ook hebben, en dan de Chinezen, en dan de Nassers en de Sockarnos en de Afrikanen en overigens iedere emotionele, nationalistische mensenleider, die er het geld voor over heeft, zal ons vanzelfsprekend de lust tot verder herinneren, spreken of schrijven gauw vergaan.

Alleen de heel dommen zullen dan nog een boel tot op de draad versletens door hun radio's over de wereld blijven rondroepen, maar een P.E.N.-club zal dan hoogstens nog een boekje met blanco pagina's kunnen laten verschijnen, waar geen lid met zin voor taalgebruik dan meer één zin over zulk een volstrekte zinloosheid voor zal willen verzinnen. Dat wordt dan wel een heel andere uitgave dan deze, die volgende van het (laten we 't ons maar voornemen: waardige, zwijgende) afwachten van de eerste boze ontketenende bom naar Israël of Formosa of Weten-wij-veel, die alle andere Staten voor de keus zal stellen om nu óók zonder uitstel dodelijk te gaan toeslaan óf daar nog even over na te denken maar dan al nadenkende wellicht onder te gaan.

Neen, neen, tegen het begin van onze volgende, tachtigsecondige oorlog zal de aardigheid van het laten drukken van woorden er zeker af raken, maar van 't jaar is het nog best grappig.

En zo moet ik dan, behalve over de eerste, ook nog denken over de laatste uren van onze oorlog. Het was toen dus de veertiende mei geworden en omdat een aantal fanatici elke dag op Schiphol voor hun geliefde N.V. tussen de raids door aan het sjouwen geweest waren, waren er zowaar nog vier vliegtuigen op redelijk verantwoorde manier vliegklaar geraakt.

Ze vormden een schamel overschotje van onze vloot, maar we waren er erg trots op. Ze waren met veel zwoegen uit hun hangar gehaald nadat de deuren met steekvlammen waren opengereten, gaten in hun rompen waren gedicht, onderdelen verwisseld, tanks bijgevuld en of er nu Duitse machines in 't zicht waren of niet, ze waren tot ver achterin Schiphol gerold tussen de het veld barricaderende rioolbuizen door. Daar stonden ze te wachten, hopelijk zo ver mogelijk van eventueel nog volgende bominslagen.

Alleen was Parmentier er de 13de op last van de Maatschappij met één de weinige wolken in, en naar Engeland vertrokken, ja, ja, die Koen, die zoveel moeilijke jaren lang onze beste man geweest is - daar ging hij, ongewapend met zijn trage verkeersmachine vastberaden het Westen in. Dat leek een goed idee, want op de een of andere mystieke manier had iedereen het eigenlijk ook toen al in zijn achterhoofd, dat alleen van Engeland nog iets als een victorie komen kon, al wist geen mens nog, dat alle continentalen al zó gauw hun bange handen omhoog zouden gaan steken.

Het wás een goed idee; zonder Koen was er geen glorieuze KLM-episode in Engeland geweest en als hij die middag niet gehandeld had en, bijzonder levensgevaarlijk, met een KLM-machine weggevlogen was, dan had de Koningin er tenslotte niet mee naar Nederland terug kunnen komen, waar of niet?

Ofschoon een gedenkboek als dit niet de bedoeling kan hebben om u aan het lachen te maken, zal ik geheel tegen mijn zin nu met het volgende relaas dit resultaat toch gaan bereiken.

Daar is niets aan te doen; degenen, die op de laatste oorlogsmiddag op Schiphol hun voorlopig-laatste oorlogsdaden verricht hebben, moesten daar tenslotte óók om lachen, - zij het dan pas na een jaar of vijftien. Die middag lachten we echter nog geenszins; toen waren we doodernstig, beraden, nu ja, u weet nog wel, hoe we toen allemaal waren. Daar stonden we dan met onze machines, goedwilse amateurs in de boosheid des oorlogs.

Het heeft benauwend duidelijk op de afwikkeling van een filmscénario geleken. Was er een goede régisseur geweest, dan had het nog een heel mooi slot zónder beschamende afloop kunnen worden. Maar waar waren er nu goede régisseurs op dat amateurtoneel van ons onthutste vaderland?

Die laatste middag zijn we met een kleine groep KLM-ers de stad nog eens uitgetrokken op weg naar Schiphol. We gingen eerst nog aan bij Parmentier's vrouw, die voor allemaal koffie maakte. Honderd meter van haar huis stond zo maar midden op straat een stuk afweergeschut, dat telkens vinnig blafte naar passerende vliegtuigen. Daar stonden nog heel wat mensen en kinderen bij te kijken precies als naar een oefening van de brandweer; iedereen uitte veel waardering, als de springwolkjes enigszins in de buurt van de dan toch maar heel snel bewegende vijandelijke vliegtuigen verschenen.

Later reden we verder naar 't veld. Het was toen prachtig weer, zoals het trouwens haast onze hele oorlog geweest is.

De Duitsers vlogen soms eens wat heen en weer over Noord-Holland, maar bommen gooiden ze al niet meer, wat niet zo'n goed teken leek.

Ook zagen we in de verte dikke, zwarte rookwolken opstijgen, waaruit we begrepen, dat de olievoorraden langs het Noordzeekanaal in brand gestoken moesten zijn. De olie, die het wel zou kunnen weten, hield blijkbaar al geen rekening meer met een nederlaag van Hitler, concludeerden we. En staarden maar naar de drie vliegtuigen, die zo verlokkend ver in het veld in het lentezonnetje stonden. Die mochten we echter niet nemen, want militaire autoriteiten in Den Haag hadden bevolen, dat ze moesten blijven staan tot nader order en mogelijke évacuatie van de Generale Staf of zo iets.

Of er echter in onze ongetwijfeld al verloren oorlog nog een Den Haag bestond, of er daar nog autoriteiten waren, of die zich nu onze drie vliegtuigen nog herinnerden en eventueel nog een telefoonlijn met Schiphol hadden, wisten we natuurlijk niet.

U kunt nu wel in smadelijk lachen om onze zo gedisciplineerde afwachterij uitbarsten en zeggen, dat wij dus maar een stel lapswanzen zonder initiatief geweest zijn, maar ja, we waren nu eenmaal gewoon te fatsoenlijk om iets te gaan doen wat niet mocht.

Goed opgeleide Nederlanders. Wat niet hoorde, hoorde niet, oorlog of geen oorlog.

Hondong, Van Veenendaal en ik zouden de drie laatste machines van onze vloot wegvliegen. Maar éérst moest Den Haag zeggen, of het mocht. Den Haag. De Directie. Generaal Winkelman ... iemand in Den Haag. Hoe Nederlands we waren!

Ondertussen zaten we in het gras. Langs de puinhopen bewogen zich andere gestalten, dat waren eventuele passagiers voor Engeland.

We wachtten, met de grootste argwaan naar de schaarse Duitse vliegtuigen turende. Met nog een paar goed gemikte bommen zouden ook onze laatste drie Douglassen weg zijn.

Dat Rotterdam al brandde, wisten we nog, niet, maar dat ieder bureaucratisch uitstel in Den Haag nu het definitieve eind van ons vlootje kon betekenen, was een zekerheid. Maar toen eigenlijk niemand al meer iets verwachtte en we al over dan maar weer terugkeren naar de stad dachten, kwam er tóch nog een Bericht.

De Militairen in Den Haag, wie dat dan ook waren, gaven onze machines vrij! Ik geloof niet, dat er iemand naar gevraagd heeft, van wie dat bericht eigenlijk was gekomen, het was uit Den Haag gekomen en dat was genoeg. De machines mochten naar Engeland als we kans zagen, ze daar te krijgen.

Wel, dat zagen we; we hadden ons plan al klaar.

Nu, terwijl er nog daglicht was, zouden we de drie vliegtuigen uit het veld halen, één voor één om niet teveel aandacht vanuit de lucht te trekken. We zouden hen met de neus in de heersende windrichting zetten, gemikt door een van de smalle stroken zonder obstakels, die toch nog wel tussen de rioolbuizen te vinden waren. Dan zouden we op Schiphol blijven gedurende de duisternis, en bij de eerste ochtendschemer starten.

In Engeland zou er dan bij aankomst genoeg licht zijn om ons herkenbaar te maken, zodat ze ons daar hoogstwaarschijnlijk niet omlaag zouden schieten. Een vliegveld zouden we wel vinden, al hadden we geen kaarten meer; die waren helaas met het hele Vliegdienstkantoor al verbrand.

Met drie vliegers en drie mécaniciens reden we het veld in, beschermd door een militaire auto met mitrailleurs, erg dramatisch en filmisch, hoewel God zij dank geen enkele bescherming nodig bleek. De Duitsers waren volledig baas in de lucht, maar niets bewoog er in het blauw, geen enkele Stuka dook naar ons omlaag. Zo ongestoord alsof het een lijndienstje naar Leeuwarden of Brussel gold, startten we de motoren en taxieden we voorzichtig tussen de rioolbuizen door naar de plek, die ons voor de nachtelijke start de gunstigste leek.

Er zijn me tijdens dat taxiën meer gedachten door het hoofd gegaan dan waarvoor de meeste mensen gedurende de hele volgende oorlog tijd zullen krijgen.

Dit was het dus: het Afscheid. Dag land, dag vrouw, dag kinderen, dag werk, dag alles en iedereen, - nu ging het gebeuren.

Zou vannacht de ren naar de Noordzee lukken, laag tussen Schiphol en de kust over de Nederlandse troepen, die ons natuurlijk niet zouden verwachten en denkelijk wel meteen schieten nu in deze dagen tóch iedere machine een Duitse was.

Zou bij heel weinig ochtendlicht het zicht voldoende zijn om geen rioolbuis te raken?

Zou het uitlaten van de wielen bij een Engels vliegveld voldoende zijn om ons daar duidelijk als zijnde niet-Duits te identificeren?

Zou de weinige benzine, maar anderhalf uur meer boven Engeland, voldoende zijn om een goed veld te vinden?

Zou ik maar op goed geluk 280 graden gaan sturen om op die manier lekker ver uit de buurt van Londen en ongetwijfeld de meeste luchtafweer uit te komen?

En áls een Duitse jager me zag, zou die dan op me neer durven steken als ik vlák over de grond of over de zee zou gaan vliegen, nog zigzaggend op de koop toe?

Zou er gelegenheid zijn en het verantwoord wezen om nog even naar Amsterdam te gaan, afscheid te nemen? - en als er kans was om nog iemand mee aan boord te nemen, kwamen dan enkele joodse vrienden eerder in aanmerking dan gezinsleden?

Nog geen kwartier, nadat we het veld ingereden waren, stonden de vliegtuigen al gereed in hun startrichting. We stopten de motoren. We liepen terug naar de resten der gebouwen. Er was nog een uur of tien tijd ... nog een uur of twaalf vóór de verhoopte aankomst op het nabije, verre Eiland van de Vrijheid.

Nu ja, - wat weet een mens van zijn lot?

Geen twaalf uur maar nog haast twee jaar zou het duren, eer ik op dat eiland eindelijk neer zou strijken, en dat dan nog geenszins triomfantelijk met een zelfgevlogen, voor verdere oorlogvoering zelf aan de vijand ontrukte machine, maar domweg als passagier vanuit Stockholm onder Engelse leiding, op een gemakkelijke manier via Zweden zonder moeite aan de bezetter ontkomen door hulp van mijn vroegere Zweedse tweede bestuurder op de Batavia-lijn, een graaf von Rosen, wiens tante toevallig Göring's eerste vrouw geweest was en die daardoor kameraadschappelijk 't een en ander bij de niet altijd slimme Gestapo had weten te bekokstoven.

Bij het stoppen van de motoren geloofde ik echter nog in de twaalf uren van ons plan.

Maar nét stonden we met ons drieën vliegers weer nader te overleggen of er kwam een motorrijder het veld op rennen. Dat was een heel jonge soldaat met een doodmoe vuil gezicht, en die huilde. Hij moest ons het bericht brengen, dat Nederland zich overgegeven had, zei hij. 'Maar ik verdom het!' riep hij. Misschien was hij niet zo'n erg goede Nederlander, met dit verzet tegen Den Haag. Hij was duidelijk maar een boerenjongen en hij verdomde het.

En daar stonden wij dan, wij van de KLM. Daar had je het dan. Nederland had zich overgegeven. Wat moesten wij nu doen? Dát leek nu tenminste eenvoudig geworden. Wég moesten we! Maar dan meteen! Als de Duitsers nu de baas waren, kon je ze elk ogenblik op Schiphol verwachten, over de weg, door de lucht, parachutisten ... en dan waren we onze vliegtuigen kwijt. Wachten op duisternis was onmogelijk geworden... dan maar met wat meer risico nu direct de lucht in... waardoor we trouwens nog daglicht in Engeland voor de landing en het zoeken van een veld zouden treffen. Het kon nóg, - als we ons nu haastten.

We waren allemaal wat zenuwachtig en geschokt door de capitulatie, maar de besluiten waren snel genomen.

Ik zou de eerste machine pakken en liet mijn passagiers onder de wachtenden halen. Er stonden veertien stoelen in de cabine; haal er maar twintig, zei ik, hoewel dit tegen de voorschriften van de Rijksluchtvaartdienst was maar tenslotte had ik toch al wel wát geleerd. De mensen drongen zich naar binnen. Hans Martin, onze onderdirecteur, is daar met zijn vrouw ook nog bij geweest. Uit de cockpit keek ik naar buiten en de vreemd vertrokken gezichten op het plateau, zwaaide een ironische afscheidsgroet en een gebaar van 'tot straks in Engeland' aan Hondong, die de tweede machine zou nemen.

Toen zei de mécano naast me: 'Klaar voor motor 2'. Ik hoor hem dat nu, na twintigjaar, soms nóg op die rustige routinetoon zeggen. Want ik was zo rustig niet.

In het algemeen gaan wij natuurlijk in de P.E.N. meestal met guldener woorden van heel wat subtieler betekenis om, maar ik kan niet ontkennen, dat ik veel van de prachtigste litteraire vondsten, waar een mens op stuiten kan, weer geheel vergeten ben, terwijl dit zinnetje met die intonatie is blijven naklinken.

Nu, na twintig jaren vaak in contact met echt heel bekende Nederlanders rondom ons cultuurlijk Leidse Plein, hoor ik dwars door de stemmen van mooie actrices, geëerde litteratoren, zeer fijngevoelige zij 't enge homo's, beroemde vlekkenisten, ook heel succesvolle politici nóg vaak ineens dat plichtsgetrouwe 'Klaar voor motor 2' van die mécano, en dat klinkt dan als een vermanend signaal van Nederland op zijn Wérkelijk Best.

Zijn hele bestaan stond op het spel, rondom hem wennen overal de emoties het van inzicht, - en helder en duidelijk, zoals het hem geleerd was, zei hij met een controlerende blik naar de benzinedrukmeter: 'Klaar voor motor 2." Contact motor 2', zei ik, me daardoor vermannend en de schakelaar omdraaiend.

Een goeie jongen! Straks tegenover de Cobaltbommen zal het er natuurlijk weinig meer

toe doen of een mens een held of een vod is, maar in die Meidagen van 1940 was het verschil nog heel belangrijk.

Motor 2 sloeg aan. En toen motor 1.

Ik keek nog eens om; dit was dan het afscheid van het héle verleden. Het moest dan nu. Was alles klaar? ja, dat was het ... tóe dan maar! Maar net toen ik het teken voor het weghalen van de wielblokken wilde geven, kwam er over het plateau een auto aangieren, waarin gezagvoerder van Veenendaal zat, die de derde machine zou overvliegen.

Ik hief mijn hand groetend naar hem op, maar hij gebaarde nadrukkelijk, dat ik niet moest starten en naar hem komen luisteren! Wat was er nu weer, in die rare sensatiefilm van ons? Hij wenkte, dat ik naar buiten moest komen. Langzaam maakte ik mijn riemen weer los, werkte me uit de cockpit en door de overvolle cabine en opende de buitendeur na alvast motor 1 weer te hebben afgezet. Dat was voorschrift. Eerst motor afzetten, dan pas deur openen.

Hij liet mij het bericht lezen, dat ook weer uit Den Haag, maar ditmaal van onze eigen Directie gekomen was.

Die verbood ons, het land met de machines te verlaten. Want Nederland had zich overgegeven, met alles wat er in was. Wij mochten niet beginnen, met de voorwaarden te breken. Wegvliegen met ons vlootje zou nu stelen en woordbreuk zijn, en stelen en woordbreuk plegen mocht natuurlijk niet.

Overgegeven was overgegeven; eerlijk was eerlijk. ja, ja, - we zijn niet gegaan.

Lachen moogt u. We hebben de passagiers weer uit laten stappen en we zijn als fatsoenlijk gebleven Nederlanders Schiphol afgedruild.

Een paar keurige Haagse heren hadden met een paar keurige Berlijnse heren geconfereerd en daarom hebben wij keurig onze drie vliegtuigen aan Engeland onthouden om ze voor onze keurige vijand te laten staan, - een man een man, een woord een woord. Nu ja, mán ... Niet veel weken later vlogen die machines zelfs, min of meer van de KLM gecharterd door de Duitse weermacht, voor centjes op en neer naar Berlijn met generaals en bestuurd door ruggegraatloos personeel van onszelf.

En toen ik later in die oorlog in Engelse burgervliegdienst vaak vanuit Bristol in Portugal kwam, heb ik ze, hoewel ze overgeschilderd waren, nog herkend in neutraal Lissabon, waarop ze een Duitse dienst vanuit Stuttgart hielpen onderhouden ...

Kortom - we hebben een treurige beurt getimmerd, wij met ons fatsoen. Vier dagen lang waren we kansloos aan een lotsbeschikking overgegeven geweest - en toen we eindelijk de gelegenheid kregen om echt in vrijheid een daad van enig belang te doen, hebben we de zaak er bij laten liggen om een belachelijke papieren afspraak met een troep overvallers en dieven.

Toen het er om ging, hebben we aan de Engelse oorlogvoering, die ook de onze geworden was, drie vliegtuigen, vijftig hoofden en honderd handen onthouden, omdat een stem op grond van een wetboek van Haagse etiquette telefonisch had medegedeeld: 'Zo hoort het eigenlijk'. Geen Abessiniër of Chinees zou op dit soort van strategie gekomen zijn, ach, ach, wát een oorlog hebben we gevoerd!

Natuurlijk hadden we moeten handelen inplaats van naar onzin te luisteren. Niet, dat we dat niet zelf al gauw hebben ingezien. Maar toen was het te laat. Nederland was gevallen, België viel, Frankrijk viel, Londen werd nacht op nacht hevig gebombardeerd en bleef elke avond rustig door de radio zeggen, dat het er nog was en dat niemand zich zorgen behoefde te maken ... en wij konden in zielige, vernederende dadenloosheid geheel nutteloos naar dat bemoedigende 'This is Londen . . .' gaan zitten luisteren met een gezicht of zulk verboden toehoren nog enigszins heroiek was, - benieuwd om te horen, of die Engelsen het misschien tóch nog wel voor ons allemaal zouden weten te redden, - zij daar, op dat eiland in zee, waarop hun Shakespeare al over de gemiste en gegrepen kansen had geschreven:

There is a tide in the affairs of men,

Which, taken at theflood, leads on tofortune;

Omitted, all the voyage of their life

Is bound in shallows and in miseries.

En nu de moraal?

Want daar kan het hun, die ons verzocht hebben om in deze uitgave van onze oorlog te vertellen, toch voornamelijk maar om begonnen geweest zijn.

Wat betekenen nu enkele persoonlijke feiten? Het gaat er hem bij ons altijd om, wat ervoor de toekomst uit te leren valt.

En ja, dat is dan vervelend, maar er is hier geen moraal. Hoe zou er een kunnen zijn? Een moraal bevat een les, die in een toekomst profijtelijk toe te passen is. Maar geen enkele in een oorlogje tegen Carthago, Napoleon of Hitler geleerde les zal van enige betekenis zijn tegenover de fall-out van de Cobaltbom en dit feit ontslaat ons dus van alle zedemeesterij.

Het verhaaltje vertellen is nu genoeg. Er was eens ... die oorlog van 1940, daar is heel wat in gebeurd, daarin hebben we gelachen en gehuild, maar hoewel er vliegtuigen en bommen in gebruikt werden, had hij toch heel veel te maken met de manier, waarop in álle tijden de mensen met oorlog te maken hebben gehad: verraad, schrik, angst, moed, ellende, dood, vernedering, falen, zich vermannen ... het gewone militaire rijtje. We kunnen ons daarmee vermaken in gedenkboeken, een les trekken hoeft niet meer. De volgende oorlog zal niet meer in de serie passen, die zal een unicum zijn.

Daar het, gegeven de menselijke natuur, volslagen uitgesloten geacht moet worden, dat de mensen hun vijanden nog eens zullen gaan liefhebben in plaats van hen met alle produkten van hun Denken te gaan bestoken zo gauw als ze voldoende heerszuchtig, jaloers of beangst geworden zijn, kunnen wij thans minder verontrust door toekomstzorgen voortleven dan enige generatie vóór de onze.

Geen toekomst, geen zorgen; zo is het.

Op God's miraculeuze bescherming hopen zou wel een beetje ál te onmannelijk zijn. 'God beware ons lieve Vaderland voor zoodanig meerder tumult' vertrouwde Michiel de Ruyter, en de admiraal had tot alle vertrouwen alle recht omdat hij zich zo moedig en ten volle tegen het Kwaad van zijn tijd teweer stelde.

Het verschil tussen Bestevaer en ons is echter tamelijk groot. Het is heel boeiend, dat het juist onze toepassing van het verworven vermogen om door de hemelruimte te gaan varen is, die onze verdere bewaring tegen onheil tot God's onvervulbare wens gemaakt heeft.

Laat ons elkaar in afwachting zo aangenaam mogelijk blijven bezig houden - bijvoorbeeld door uitgaven als deze.

Laten we elkaar blijven verstrooien met onze herinneringen, onze verhalen, onze gedichten, onze kroniekjes, en dat alles in onze eigen goede taal van Nederland, totdat we komen voor de situatie, waar geen woorden meer voor zijn.