Boekbeschrijving

Adriaan Viruly
Nijgh & Van Ditmar, 's Gravenhage
Eerste druk 1957, vierde druk (herschreven) 1981

Vrouwen nemen de tijd, ja.. . maar nemen zij vooral de tijd er voor of vooral de tijd van mannen?

Beide betekenissen laat Viruly in deze pseudo-autobiografische roman een opzienbarende rol spelen.

De hoofdpersoon krijgt op zijn 15e verjaardag twee cadeaus: een levensgeschiedenis van Copemicus en het Zwitserse horloge Schwyz 33933. Copemicus heeft eens het raadsel van de Ruimte opgelost, de jongen wil dat van de Tijd gaan oplossen.

Dat blijft hij levenslang willen, maar helaas: hem blijft als jongen op Walcheren of als man in Frankrijk de tijd voor het oplossen ontbreken, doordat vrouwen hem die telkens weer ontroven.

Zo komt het Grote Levenswerk niet tot stand. Maar iets anders wel.

Het boek is opgedragen aan Mary Dressëlhuys. Hoe dat zo? Lees dat in de opdracht:

Dit boek wordt opgedragen aan Mary Dresselhuys, zonder wier voortdurende toewijding en liefdevolle aandacht het twee jaar eerder voltooid geweest zou zijn.

'But thought's the slave of life, and life time's fool.'

Henry IV 5

'Love's not Time's fool.'

Sonnets

'The Time is free.'

MacBeth 5

Vrouwen nemen de tijd

Cover 4e herschreven druk 1981

Cover 3e druk 1963

Citaat

 

In 1903 ben ik geboren in Den Haag, waar mijn moeder donatrice van de Theosofische Vereniging en mijn vader lid van De Witte Sociëteit was.

Van die Haagse tijd, die ruim vier jaren duurde, herinner ik me niet veel.

Eens, op een zonnige herfstmorgen, zijn wij in onze dogcart naar Scheveningen gereden - mijn vader, die mende, naast hem mijn moeder, daarachter mijn oom Prosper met mij in mijn nieuwe jasje van bont. Wit bont.

Mijn oom, die vaak uit eten gevraagd werd, had in de lente van 1907 een reis naar Moskou en St. Petersburg gemaakt, speciaal om aan de dinertjes van de volgende winter een boeiend onderwerp voor conversatie te hebben: dat jasje met een bijbehorend mutsje had hij voor mij meegebracht.

Mijn moeder had dit geschenk betreurd, omdat zij de verruwende invloed van vellen van gedode dieren op mijn nog zo gevoelige kinderziel vreesde, maar ik had het mooie jasje niet meer willen afstaan.

Mijn herinnering gaat uit naar het geluid van de rustige hoeven van ons paard op het plaveisel van Laan Copes van Cattenburgh, het zachte bont van mijn jasje en de rode biezen op het zwarte lak van de dogcart.

De naam van het paard weet ik niet meer. Het moet een zondagochtend geweest zijn, want ik hoor nog mijn oom 'afschuwelijk volk!' zeggen, toen mijn vader op de Boulevard voor wandelende en overstekende werkmensen moest inhouden.

De zee van die ochtend herinner ik me ook niet.

In dat jaar stierf mijn vaders moeder.