Willem van Veenendaal
Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht
1958

De luchtvaart is in Nederland vroeger dan elders een nationale aangelegenheid geworden, wat eigenlijk verwonderlijk is voor een klein land.

Men weet aan wie dit te danken is: aan twee mannen met ondernemingszin en verbeeldingskracht, Anthony Fokker en Albert Plesman.

In de jaren toen men elders nog experimenteerde, bouwde Fokker al volwaardige verkeersvliegtuigen, de beste van die tijd, en sloeg Plesman een net van K.L.M.-Iijnen over Europa en naar de Oost.

Het zijn deze beginjaren geweest, welke de Nederlandse luchtvaart een voorsprong hebben bezorgd, en het mogelijk hebben gemaakt dat die vandaag nog meetelt.

Het was een tijd van pioniers en van romantiek.

Radiobakens en automatische piloten bestonden niet, er werd op het handje gevlogen, en op het gezicht: links van de toren van Gouda, tussen Brussel en Antwerpen goed opletten op de hoogspanningsleiding, tussen de eerste en de tweede kolenberg van Mons recht naar het Zuiden, zo ging het als je naar Parijs vloog.

De piloten die de Fokkers van de K.L.M. bemanden vormden een apart ras en ze waren tot grote dingen in staat, ze vlogen naar Indie boven duizenden kilometers woestijn en rimboe, ze sloegen de pijlers waarover nu de brug van een gladverlopend internationaal luchtverkeer ligt.

WILLEM VAN VEENENDAAL behoort tot die roemrijke generatie; avonturier van de lucht en ridder van de pen, roept hij hier de onvoltooid verleden tijd op, waarin de luchtvaart geboren en groot geworden is.

Tussen Hemel en aarde